• Jaarsveld
  • Jaarsveld
  • Jaarsveld
  • Jaarsveld
  • Jaarsveld
  • Jaarsveld
  • Jaarsveld
  • Jaarsveld
Nabestaanden vertellen

 

Ik kijk naar foto’s. Ik ben op zoek naar een bekend gezicht. De jongens op de foto’s kijken “stoer met een knipoog”.  Soldatenjolijt. Mobilisatietijd.

Dan opeens zie ik het. In een oogopslag. Tussen deze stoere Hollansche jongens. Daar sta ikzelf! Dus dat moet jij zijn. Hebbes. Het is raar om jezelf tegen te komen op een foto uit 1940. Bevreemdend hoe ik op je lijk. Het raakt me, merk ik. Ik word er warm en koud van.

Die andere jongen is Arie. Ik herken hem meteen, ook al heb ik hem nooit ontmoet, en ik maar 1 foto van hem ken. Gemaakt lang voordat ik geboren werd. Arie sneuvelde op 10 mei 1940, aan de IJssel, bij Zutphen. Arie is een raadselachtige figuur. Een jeugdvriend van Willem, mijn vader, van voor de oorlog.

“Pappa, was jij ook soldaat?”

-“Ja, ik ben ook soldaat geweest.....”

“En heb je ook gevochten in de oorlog?”

-“Dat stelde niet zo veel voor, jongen....”

“Heb je toen ook moffen doodgeschoten?”

-“Duitsers, jongen......”

“Maar heb je ze doodgeschoten?”

-“.............”

Zoals zovelen wilde je niet graag terugdenken aan de oorlog.

Bovenste rij tweede van rechts Willem van Gessel,  derde van rechts Arie de Groot

Meer dan de generatie die de oorlog daadwerkelijk had meegemaakt, was de oorlog voor de na-oorlogse generatie het morele ijkpunt tussen goed en fout. Zeitgeist. Op de TV zag je vaak genoeg films waarin de kauwgomkauwende amerikaanse soldaten altijd raak schoten op die gemene rotmoffen, die natuurlijk overwonnen moesten worden, want zij hadden Nederland bezet. Genoeg reden om iedere Duitser tot op het bot te haten, toch? Het na-oorlogse verzet...

Als het regende, haalde mijn moeder weleens de doos met vergeelde foto’s voor de dag... De villa in Lochem, mijn moeder als jong meisje, tussen andere meisjes in de tuin, met tennisracket. In het hoge gras met een mandoline met lange linten aan het stemmechaniek. Mijn vader legt je, steels kijkend, een accoord uit. Jongverliefden....

Een foto van een soldaat. Een foto van een houten keet, met soldaten ervoor.  Een soldaat op wacht, een witte brug op de achtergrond....

“En wie is dit?”

-“Da’s Arie. Die is gevallen. In de oorlog.”

Ik keek naar mijn knie, waarop een grote pleister zat. Ik was ook gevallen. Maar ik begreep instinctief dat dit iets anders moest zijn. Ik keek naaar de foto.Arie had een melancholieke oogopslag, kan ik me nog steeds herinneren, ook al heb ik de foto al zeker dertig jaar niet meer gezien.

-“gesneuveld.”

Dat klonk al een stuk plechtiger. Arie is gesneuveld....

“Is-ie dood?”

Er was ook een foto van een grafsteen. “Arie de Groot”, las ik.

Mijn vader zit in de keuken. Hij maakt een schilderij. Doet-ie wel vaker.

“Pappa?”

-“Ja, jongen.....” Zijn ogen geconcentreerd op het doek...

“Arie de Groot is toch gesneuveld?”

Ik zie hem verstrakken.... -“Wie heeft je dat verteld?”

“Mamma”....

-“Oh, heeft je moeder dat verteld...”

“En ik zag een foto...”

Hij draait zich naar me toe..

-“En waar heb je die foto vandaan?”

“Nou, gewoon, tussen die andere foto’s in de doos. Hoe is-ie .....gevallen?”

-“....gevallen..”  Hij zegt me na. Plechtig, met een ironische ondertoon.

-“Oorlog is niet leuk, jongen. Er gaan een hoop mensen in dood.....”

Tijdens een autorit rijden we langs de IJssel. We komen over een brug. Ik had wel eens iets opgevangen over het opblazen van de bruggen over de IJssel. Ik vertel mijn vader wat ik weet. Hij kijkt me geamuseerd en verrast aan.

“Hier heb jij toch gelegen?’

-“Nee, dat was daar, bij die bosjes, zeg maar, daar in de verte, ergens.. We lagen in stelling bij Zutphen, bij de brug.”

“En daar is Arie de Groot gesneuveld?”

-“Die is daar gesneuveld, door een granaat”.

“En jij had niks?”

-“Een paar scherven in mijn rug.....”

Dat klonk al een stuk heroischer...gewond.

“En toen? Werd je gewond afgevoerd?”

-“Welnee. Een klap op mijn kop en toen was het afgelopen. Krijgsgevangen.”

Hmm. Op de TV gaven de Amerikanen zich nooit over.

“Hoe ging dat dan?” Begon ik opnieuw.

Enigzins verstoord vertelt hij me dat ze in de rug zijn aangevallen, en dat hij met de kolf van een geweer op zijn achterhoofd werd geslagen.

Zie je nou wel! Rotmoffen!  In de rug aanvallen! Schoften!  Dacht ik bij mezelf...

-“Parachutisten, die vanuit Brummen waren opgerukt...”

“Brummen?”

-“een brug verder”

In mijn hoofd zag ik Heroische Hollandsche Soldaten, standhoudend tot de laatste kogel, terwijl die Gemene Rotmoffen ze in de rug aanvielen. En mijn vader was Buiten Westen Geslagen. Hij had zich niet overgegeven!

“Hoeveel heb jij er neergeschoten?”

-“Hou er nu maar over op!”

Andere verhalen luister ik af als mijn vader op zijn praatstoel zit.

“Ach, we schoten wel op ze, maar je wist niet of jij of iemand ander ze geraakt had.”

“Ik vermoed dat ik er wel een paar geraakt heb... Ze riepen om hun moeder..”

Dat schokte me....Hadden moffen ook moeders, dan? Ik vond het een beetje zielig. Maar zij hadden Arie de Groot doodgeschoten. En die had ook een moeder.

“Ik werd door de klap weggeslingerd en ik zag een arm op me liggen. Eraf gerukt door een granaat.”

“In het begin schiet je er nog een beetje langs, maar als ze dichterbij komen, ga je vanzelf goed mikken. Ik heb er wel een stuk of wat zien vallen..”

Arie de Groot. De jongen met de melancholische blik. Een open zenuw in het leven van mijn vader. Een taboe in een doos met foto’s. Veilig opgeborgen tussen alle ander melancholie.

Ik ben meerdere malen in Zutphen geweest . Ik heb er gestaan, op de plek zelf. Me een voorstelling gemaakt van hoe het geweest moet zijn. Waarom weet ik eigenlijk niet zo goed.

Menselijk gedrag kent de behoefte aan rituelen. Vaak word het bijgeloof genoemd. Ik geloof nergens in. Maar ik erken de behoefte aan ritueel. Zelfs olifanten herdenken hun voorgeslacht, botten aan elkaar doorgevend op een olifantenkerkhof. Waarom?  Ze weten het hoogstwaarschijnlijk zelf ook niet.

Ik loop over een slagveld. Ik ben een olifant. Ik probeer me alles voor de geest te halen...

Ik sta aan het water. Kijk naar de brug. Er loopt een oude man heen en weer over de brug. Af en toe kijkt hij over de railing naar beneden. Hij beziet het schootsveld van de kazemat die zich onder de brug bevond. Ik heb het vermoeden dat hij er bij geweest moet zijn. Ik besluit hem niet aan te spreken. Hij doet zijn ritueel. Ik voel me alsof ik de grond ontheilig, te midden van onwetenden. Vroege lente-toeristen. Het is 10 Mei.

Er zijn behoorlijk wat Duitsers gevallen bij Zutphen. “Mutti!”In gedachte hoor ik een jongen in doodsnood om zijn moeder roepen. Afschuwelijk.

Hier op de dijk voel je de onvermijdelijhkheid van de willekeur, het lot. Het slagveld. Je overleeft het, of niet. Arie de Groot. Gedood door iets waartegen je je niet kan verdedigen. Pech in al zijn botheid.

Willem van Gessel overleefde het. Dus ik besta.

R.S. van Gessel